Infinitief parler
Tegenwoordig deelwoord parlant
Voltooid deelwoord parlé

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeparle
tuparles
il; elle; onparle
nousparlons
vousparlez
ils; ellesparlent

Onvoltooid verleden tijd

jeparlais
tuparlais
il; elle; onparlait
nousparlions
vousparliez
ils; ellesparlaient

Verleden tijd

jeparlai
tuparlas
il; elle; onparla
nousparlâmes
vousparlâtes
ils; ellesparlèrent

Toekomende tijd

jeparlerai
tuparleras
il; elle; onparlera
nousparlerons
vousparlerez
ils; ellesparleront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

jeparle
tuparles
il; elle; onparle
nousparlions
vousparliez
ils; ellesparlent

Onvoltooid verleden tijd

jeparlasse
tuparlasses
il; elle; onparlât
nousparlassions
vousparlassiez
ils; ellesparlassent

Voorwaardelijke wijs

jeparlerais
tuparlerais
il; elle; onparlerait
nousparlerions
vousparleriez
ils; ellesparleraient

Gebiedende wijs

(tu)parle
(nous)parlons
(vous)parlez

Vertalingen

Catalaans
parlar
Duits
reden; sprechen
Engels
to speak; to talk
Spaans
hablar
Italiaans
parlare
Nederlands
praten; spreken
Portugees
falar