Infinitief sortir
Tegenwoordig deelwoord sortant
Voltooid deelwoord sorti

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jesors
tusors
il, elle, onsort
noussortons
voussortez
ils, ellessortent

Onvoltooid verleden tijd

jesortais
tusortais
il, elle, onsortait
noussortions
voussortiez
ils, ellessortaient

Verleden tijd

jesortis
tusortis
il, elle, onsortit
noussortîmes
voussortîtes
ils, ellessortirent

Toekomende tijd

jesortirai
tusortiras
il, elle, onsortira
noussortirons
voussortirez
ils, ellessortiront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

jesorte
tusortes
il, elle, onsorte
noussortions
voussortiez
ils, ellessortent

Onvoltooid verleden tijd

jesortisse
tusortisses
il, elle, onsortît
noussortissions
voussortissiez
ils, ellessortissent

Voorwaardelijke wijs

jesortirais
tusortirais
il, elle, onsortirait
noussortirions
voussortiriez
ils, ellessortiraient

Gebiedende wijs

(tu)sors
(nous)sortons
(vous)sortez

Vertalingen

Catalaans
sortir
Duits
hinausgehen; weggehen
Engels
to come out; to get out; to go out; to take out
Spaans
sacar; salir
Italiaans
uscire
Portugees
sair