Infinitief devoir
Tegenwoordig deelwoord devant
Voltooid deelwoord

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jedois
tudois
il, elle, ondoit
nousdevons
vousdevez
ils, ellesdoivent

Onvoltooid verleden tijd

jedevais
tudevais
il, elle, ondevait
nousdevions
vousdeviez
ils, ellesdevaient

Verleden tijd

jedus
tudus
il, elle, ondut
nousdûmes
vousdûtes
ils, ellesdurent

Toekomende tijd

jedevrai
tudevras
il, elle, ondevra
nousdevrons
vousdevrez
ils, ellesdevront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

jedoive
tudoives
il, elle, ondoive
nousdevions
vousdeviez
ils, ellesdoivent

Onvoltooid verleden tijd

jedusse
tudusses
il, elle, ondût
nousdussions
vousdussiez
ils, ellesdussent

Voorwaardelijke wijs

jedevrais
tudevrais
il, elle, ondevrait
nousdevrions
vousdevriez
ils, ellesdevraient

Gebiedende wijs

(tu)dois
(nous)devons
(vous)devez

Vertalingen

Catalaans
deure
Engels
to have to; to must
Spaans
deber; tener que
Italiaans
dovere
Nederlands
moeten
Portugees
dever