Infinitief vouloir
Tegenwoordig deelwoord voulant
Voltooid deelwoord voulu

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jeveux
tuveux
il; elle; onveut
nousvoulons
vousvoulez
ils; ellesveulent

Onvoltooid verleden tijd

jevoulais
tuvoulais
il; elle; onvoulait
nousvoulions
vousvouliez
ils; ellesvoulaient

Verleden tijd

jevoulus
tuvoulus
il; elle; onvoulut
nousvoulûmes
vousvoulûtes
ils; ellesvoulurent

Toekomende tijd

jevoudrai
tuvoudras
il; elle; onvoudra
nousvoudrons
vousvoudrez
ils; ellesvoudront

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

jeveuille
tuveuilles
il; elle; onveuille
nousvoulions
vousvouliez
ils; ellesveuillent

Onvoltooid verleden tijd

jevoulusse
tuvoulusses
il; elle; onvoulût
nousvoulussions
vousvoulussiez
ils; ellesvoulussent

Voorwaardelijke wijs

jevoudrais
tuvoudrais
il; elle; onvoudrait
nousvoudrions
vousvoudriez
ils; ellesvoudraient

Gebiedende wijs

(tu)veux, veuille
(nous)voulons, veuillons
(vous)voulez, veuillez

Vertalingen

Catalaans
voler
Duits
wollen
Engels
to want
Spaans
querer
Italiaans
volere
Nederlands
willen
Portugees
querer