Infinitief faire
Tegenwoordig deelwoord faisant
Voltooid deelwoord fait

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd

jefais
tufais
il, elle, onfait
nousfaisons
vousfaites
ils, ellesfont

Onvoltooid verleden tijd

jefaisais
tufaisais
il, elle, onfaisait
nousfaisions
vousfaisiez
ils, ellesfaisaient

Verleden tijd

jefis
tufis
il, elle, onfit
nousfîmes
vousfîtes
ils, ellesfirent

Toekomende tijd

jeferai
tuferas
il, elle, onfera
nousferons
vousferez
ils, ellesferont

Aanvoegende wijs

Tegenwoordige tijd

jefasse
tufasses
il, elle, onfasse
nousfassions
vousfassiez
ils, ellesfassent

Onvoltooid verleden tijd

jefisse
tufisses
il, elle, onfît
nousfissions
vousfissiez
ils, ellesfissent

Voorwaardelijke wijs

jeferais
tuferais
il, elle, onferait
nousferions
vousferiez
ils, ellesferaient

Gebiedende wijs

(tu)fais
(nous)faisons
(vous)faites

Vertalingen

Catalaans
fer
Duits
machen; tun
Engels
to do; to make
Spaans
hacer
Italiaans
fare
Nederlands
doen; maken
Portugees
fazer